Pfie – wiiiieeeeeeew!

Pleidooi voor de herintroductie van de bewonderende nafluit.



De weg schoot geluidloos onder mij door. Mijn ellebogen leunden op het ligstuur van mijn azurro-blauwe Bianchi racefiets. Ik reed over een kaarsrechte weg door een boomloze polder. Plaats: een paar kilometer van Noordeloos. Reisdoel: het riviertje de Giessen. Snelheid: tussen de dertig en drieëndertig kilometer per uur. Het was augustus, het liep tegen de avond, de warmte liet zich nog goed voelen.
Mijn ogen waren, gehypnotiseerd door mijn malende benen, gedachteloos op een willekeurig punt voor me op de weg gericht. De enige beweging buiten mijzelf was, als ik heel goed rondspeurde, die van een stipje, bijna onzichtbaar veel verder op de rechterweghelft.

Onwillekeurig concentreerde mijn blik zich op het levende vlekje aan de einder. Was het een fietser? Iets vertelde me van niet. Iets teveel van links naar rechts. Ik merkte dat het betreffend departement in mijn hersens tegelijkertijd probeerde te ontdekken of het een vrouw of man zou zijn. Kun je dat zien? Ik denk het wel. Een vrouwelijk stipje heeft een andere motoriek dan een mannelijk stipje. Ik concentreerde mij op de beweging. Aan een soort zwierigheid meende ik te kunnen vaststellen dat het een vrouw was. En ik ging blijkbaar sneller, want het werd gestaag een tikkeltje minder klein: langzaamaan werd het aantal kleine kleine vlekjes een samenhangend spel van nieuwe vlekjes die ledematen vertegenwoordigden.

Weer wat nadergekomen twijfelde ik toch even: de breedte van de schouderpartij leek toch weer te wijzen op de mogelijkheid van een man. Wel was nu ook zichtbaar wat het aan het doen was: het rolschaatste. Sommige mensen zullen roepen: skatete, maar ik vind skaten ook rolschaatsen, zoals mountainbiken ook fietsen is. De beweging van de benen wees op vrouwelijke spieren. Nog dichterbij gekomen zag ik een weerschijn op een gebruinde athletische rug, gestoken in een combinatie van een zwart tanktopje en daaronder een katoenen broekje. Haar kuiten en armen glommen in de namiddagzon. De schouderpartij was ontwikkeld als van een beroepszwemster.

Ik haalde haar in. O ja shit, ik ging haar inhalen. Wat ging ik doen? Ging ik haar een teken geven, iets zeggen? Ik moest haar blijkbaar iets laten merken. Waarom? Hoe? Wat? Iets neutraals? Iets wat je een mannelijke fietser ook zou toevoegen? Of was de motivatie van andere aard? Ja natuurlijk. Bij een mannelijke fietser zou ik misschien groeten zoals zeilers elkaar groeten op een fries meer: met een trefzeker afgesproken gebaar, nauwelijks de aandacht van de zeilen afhoudend.

Maar zo niet nu. Ik had iets anders te communiceren. Over de schoonheid van haar beweging, haar athletische gestalte. Ik moest eerlijk zijn. Er zat ook een element in van hoe een man een vrouw laat merken dat hij haar bijzonder vond. Aantrekkelijk. Maar niet alleen dat. Het was ook iets anders. Iets universeels. Hoe leuk haar aanwezigheid contrasteerde met het zwarte lege astfalt, de knalgroene polder. Niet noodzakelijkerwijs in die volgorde.

Op het moment dat we gelijk kwamen te liggen maakte zich echter een bedwelmende paniek van mij meester. Ik draaide mijn hoofd hooguit vijf graden naar rechts en zag met verbazing dat Ik mijn rechterhand langzaam van het stuur hief. De hand draaide een kwartslag naar rechts. Wat ging hij doen? Terwijl ik haar in slow-motion passeerde maakte zich een duim los uit de hand, wat ging daar gebeuren, hij bewoog zich omhoog, wat bedoelde hij, wat is dit, nee he, dat kan toch niet, nee…. IK STAK HEM OP! Uit mijn ooghoek zag ik nog een flits van een ietwat slavisch gevormd knap, stoer gelaat. Snel keek ik weer voor me.

Toen gebeurde het ongelofelijke voor mijn bedwelmde geest. Ik hoorde haar ‘hoi’ zeggen. Ik draaide het bandje waar de ‘hoi’ opstond snel een paar keer in mijn hoofd af. Ze zei ‘hoi’ op een toon die leek te betekenen dat ik ‘ook best wel iets had mogen zeggen hoor’. Ik vervloekte mijn onhandigheid, mijn verlegenheid, durfde niet achterom te kijken, en speerde door. Misschien maakte ik zelfs extra tempo. Ik reed door zonder geluid te maken, de wind floot zonder een obstakel tegen te komen in mijn hersens.

Ondertussen had ik de afslag Giessen ergens gemist, of was niet meer aangegeven. Shit, de weg kwijt, of althans de juiste. De ANWB was al enige tijd overgegaan op een gevreesd nieuw systeem van richtingaanwijzen: er is geen sprake meer van dorpen en heiden, alleen van knooppunten met nummers. Die moet je of uit je hoofd leren, of vantevoren op je hand schrijven. Heb je dat niet gedaan, dan kun je om de 5 kilometer afstappen om te kijken waar jouw nummer 83 zich bevindt, en welke nummers je moet zien te onthouden om op je reisbestemming te komen. Ik herkende de weg hier niet. Wel zag ik een aankondiging: ‘u nadert knooppunt 67′, dus ik stapte af bij het kruispunt om op het grote knooppuntenbord te gaan kijken.

Ik wilde de kortste route naar de rivier. Op de kaart zag ik dat dat een eindje terug was, als ik het bij de kop wilde vatten. Een andere mogelijkheid was langs een autoweg naar Noordeloos, waarmee ik op eenderde van de mooie waterroute in zou stappen. Ik aarzelde. Nu ja, dan maar even rap langs die snelweg.
In de korte tijd die ik nodig had om weer op de fiets te springen en de gekozen weg in te slaan zag ik uit een ooghoek een fietster aan komen. Een blond staartje sprong onder de racehelm vandaan. Plotseling beviel de door mij gekozen route niet meer. Ik remde en keek terug naar het kruispunt. Ik volgde haar met mijn ogen. Ze stopte bij het bord. Zonder na te denken had ik mijn fiets alweer honderdtachtig graden gedraaid, met de zelfsmoes dat ik nog een keer goed moest kijken.
Zo stond ik even later naast een knap meisje. Ze krabte wat op haar rug, die ze voor dat doel holgetrokken had, terwijl ze wijs probeerde te worden uit de lijnen, nummers en punten op het bord. De zwarte wielrenbroek die ze droeg was de helft korter dan gebruikelijk. Misschien een triathlonbroek.

Nu ging ik wel wat zeggen.

‘Onhandig he, die knooppuntborden? Moet je altijd afstappen. Waar ga je naartoe?’, bracht ik eruit. Ze nam me met een lach, maar niet geringschattend op. ‘Ja, ik moet deze kant op’, en ze wees naar een weggetje langs een sloot, schuin naar het noordwesten. ‘Waar ga je heen?’, vroeg ik, een beetje verrast door haar blik. ‘O, Rotterdam, dus ik moet geloof ik die weg in, zo naar de dijk langs de Lek’. En ze wees naar een aantrekkelijk weggetje.
Een opportunistische winding diep in mijn grijze massa had willen zeggen: zal ik een stukje met je meerijden? Maar dacht er meteen overheen: ja, ze ziet me aankomen. Maar als je het niet vraagt heeft ze ook niet de gelegenheid om ja te zeggen natuurlijk. Mij maakte het niet uit, in die zin dat ik nu ook weer niet per se naar Giessen moest. Een stuk die kant op, en dan afbuigen naar Sliedrecht zou ook prima gaan. Maar ja, je opdringen is ook weer zo wat. Dat wil je zeker niet. ‘O mooi, langs de rivier, kun je helemaal doorrijden naar de Kinderdijk, oversteken, en dan zit je al bijna in Rotterdam’ bracht het quasi rationele gedeelte van mijn brein oplossing. ‘Ja’. “Goeie reis’! ‘Jij ook!’. De fietster sloeg haar pad in, ik het mijne.

Mijn benen maalden alweer in het gewone tempo rond toen ik, nog naborrelend, dacht: hee, ik had eigenlijk best kunnen vragen of ze een twitteradres had, dan hadden we kunnen uitwisselen en checken of we allebei waren aangekomen waar we wilden. En wanneer. Had dat gekund? In theorie wel. Maar doe je dat? En hoe? Waar? Hoe? Ach wat een onzin allemaal. Of niet? Lastig, met een gebaar als een opgestoken duim lukte het me dus eigenlijk helemaal niet om uit te drukken wat ik daarvoor allemaal voor beelden in mijn brein had, en met op mijn manieren een fietsknooppunt tot contactpunt maken bereikte ik nu ook weer niet dat ik haar liet merken hoezeer zij mijn innerlijke landschap opvrolijkte.
Ach ach, ach en wee. Woorden schoten tekort. En dat lag niet aan die woorden op zich. Was er iets met mij aan de hand, of was dit iets wat meer mensen parten speelde?

Ondertussen was het landschap veranderd van een groene polder naar de weg over de dijk die de Giessen aan de rechterkant indamde. De zon flikkerde door het groene bladerdek dat de aaneengesloten bomen langs de rivier vormden. Bootjes met gebruinde kinderen dreven langzaam stroomop- en stroomafwaarts. Een plotselinge onderbreking door een helgroen grasveldje aan het water. Een dorpje met brug en café.
Twitteren. Ja, dát had het meisje met het paardestaartje leuk gevonden. Wáááh. Ik dacht het niet. Had ik misschien moeten fluiten? Pfie wiew? Even denken. Twitteren betekent kwetteren. Kwetteren is een soort van fluiten, maar dan minder mooi. Kwetteren is een beetje kletsen van mussen, mezen en merels. Fluitena is zingen. Fluiten is gesublimeerd twitteren. Had ik kunnen fluiten? Ik twijfelde. Zoiets moet je ook durven. Je kon het wel oefenen natuurlijk, in dorpen ver van huis. Maar: wat vinden de meisjes ervan? Gold het verbod uit de jaren zeventig niet nog steeds? “Het is verboden in bouwvakkersidioom de aandacht te vestigen op andermans uiterlijke aantrekkelijkheid. U geeft hiermee aan geen oog te hebben voor de intrinsieke waarde van de persoon. U beledigt hiermee de aangeflotene”.

Djiez wat was het hier mooi. Ik kon het wel uitroepen, als een spontane opwelling uit de borst. Mijn gedachten vlogen terug naar een moment zo ongeveer tien jaar geleden. Ik was in februari ter hoogte van Nieuwersluis op het ijs van de Vecht gestapt. De kleuren waren, zoals dat ‘s winters is, keihard en contrastrijk. Het zwart van het ijs en de bomen, het sneeuwwit aan de rietkraag, van de kozijnen van de huizen, een zwaan op het ijs, het hardblauw van de winterlucht – het had mij vervuld met een gevoel waardoor ik het wel uit moest schreeuwen. En dat deed ik ook. Diep uit mijn borstkas golfde een keihard en langgerekt “Joe! Hoooeeeeee!” die de omringende schaatsers hun rug deed rechten en mij verbaasd deed aankijken. Ergens hoorde ik het onmiskenbare geluid van raspendee ijzers en harde vloek van een vallende weekendatleet.
Iets dergelijks, misschien iets minder schrikbarend, zou ik ook bij een persoon van het andere geslacht kunnen laten merken. Zonder haar te laten vallen. Daarom pleit ik voor een brede herintroductie van de bewonderende fluit. Zou het niet een hele hoop schelen? Bij gebrek aan beter. Is er beter? Je laat geen schaatsers vallen.

Mag er weer een nafluit op straat weerklinken? Zijn er bezwaren? Dames? Heren? Vrienden? Vriendinnen? Mag het? Ja?

Ik breek een lans.






Explore posts in the same categories: Uncategorized

Tags: , , , , , ,

You can comment below, or link to this permanent URL from your own site.

2 reacties op “Pfie – wiiiieeeeeeew!”

  1. Laura Zegt:

    Vragen naar een twitter, facebook, hyves of wat voor een socialmedia ding dan ook is echt beter dan nafluiten.


  2. Beste Laura,

    bedoel je dat jij bewonderend fluiten onprettig – sexistisch – of op een andere manier ongewenst vindt, (dat zou ik dan graag willen weten, want de vrouwen die ik er totnutoe over spreek zeggen allemaal: fluit maar hoor, leuk!), of vind jij het gewoon handiger om social media informatie uit te wisselen? K


Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.